De werking van de borsten

De borst

Tijdens de zwangerschap verandert er veel in de borst van een vrouw. De borsten worden groter en de tepelhof wordt donkerder van kleur. De aders zijn zichtbaar door de huid heen omdat er veel meer bloed door de borsten vloeit. De tepel zelf wordt groter waardoor de tepel zich makkelijker zal oprichten voor het voeden.  

Na de bevalling verandert er opnieuw veel in de borst. In deze fase wordt er moedermelk aangemaakt en afgescheiden.  

Tijdens de borstvoeding spelen 2 hormonen een belangrijke rol: de melkmaker (prolactine): stimuleert de melkkliertjes om melk te maken en de melkgever (oxytocine): laat de melkkliertjes samentrekken. Beiden worden in de hersenen gemaakt.

Dankzij de toeschietreflex wordt de melk doorheen de kanaaltjes naar de tepel gestuurd. 

 

Aanmaak van moedermelk

In de vijfde maand van de zwangerschap wordt onder invloed van het hormoon prolactine al een beetje melk door de borsten aangemaakt. De hormonen van de moederkoek (placenta) onderdrukken dit proces nog.

Na de geboorte (van de placenta) vallen deze hormonen weg. De prolactine in het bloed gaat omhoog. Vanaf dat moment kan de productie van moedermelk ongehinderd stijgen.

Zuigt een baby aan de borst, dan worden de zenuwuiteinden in de tepel en de tepelhof geprikkeld. De hersenen van de moeder krijgen een signaal om het hormoon prolactine aan te maken. Dat hormoon stimuleert op zijn beurt de melkkliertjes om melk aan te maken. Hoe meer en hoe krachtiger de baby zuigt, hoe meer prolactine er afgescheiden wordt en hoe meer melk er gemaakt wordt.

Enkele dagen na de bevalling is het gehalte aan prolactine heel hoog. Dit zorgt voor meer toevoer van bloed naar de borsten. Bouwstoffen voor de aanmaak van moedermelk worden vanuit het bloed afgegeven in de melkkliertjes. De hogere hoeveelheid bloed in de borst op dat moment, samen met het goed op gang komen van de melkproductie, veroorzaakt soms een gespannen pijnlijk gevoel. Dat wordt stuwing genoemd.

De toeschietreflex

Bij het geven van borstvoeding speelt de toeschietreflex een grote rol. Het toeschieten van de melk wordt veroorzaakt door het hormoon oxytocine. Daarnaast zorgt het hormoon ook voor een loom gevoel tijdens het voeden.  

De toeschietreflex treedt op, vlak nadat de baby is aangelegd en zorgt ervoor dat de melk, door het samentrekken van de spiertjes rondom de melkkliertjes (door de melkkanaaltjes) naar de tepel wordt getransporteerd. De melk schiet tijdens de voeding meerdere malen toe en iedere vrouw ervaart de toeschietreflex anders. De aangehechte vetten (in de melkblaasjes) komen vrij en mengen zich met de moedermelk. De voormelk zal geleidelijk overgaan naar de vettere achtermelk maar dat proces begint dus al meteen (en niet pas na 10 minuten ofzo).

Emoties zijn erg bepalend voor de aanmaak van oxytocine. Oxytocine zorgt voor het toeschieten van de melk. Vermoeidheid, angst, een meningsverschil of een kritische opmerking kunnen al voldoende zijn om de toeschietreflex af te remmen waardoor het enkele minuten kan duren voordat de melk toeschiet.